Inleiding rijprocedure

Inleiding rijprocedure (totaal herziene en laatste versie met de nieuwste aanpassingen voor het rijexamen):

De rijprocedure:

Doel:

– voor de rijopleider een leerdoel,
– voor de examinator een beoordelingsinstrument,
– voor de rijbewijsbezitter een naslagwerk.

Ontstaan:

– o.a. doordat op bepaalde onderdelen instructie en wetgeving onvoldoende was.
b.v. nergens staat in de wet hoe je precies moet in- en uitvoegen.
Tevens heeft bureau Traffic test een onderzoek gedaan naar het oude beoordelingssysteem.
Hieruit is het nieuwe ontstaan zoals het nu is.
Het is gedaan in overleg met de Bovag, het CBR, defensie en de politie.
De rijprocedure is gebaseerd op actuele verkeerswetgeving.

Structuur:

Hoofdstuk 1 bevat de bediening van het voertuig. (rijklaar maken en bediening van het voertuig)
Hoofdstuk 2 bevat de bestuurder. (veilig en juist deelnemen aan het verkeer)
Hoofdstuk 3 bevat de examenonderdelen. (zie hoofdstukindeling)
Tenslotte zijn er nog de onderwerpen van beoordeling.

Toepassing:

Het is de bedoeling dat de beoordelingsrichtlijnen uit deze procedure uniform worden toegepast door examinatoren. Dat maakt de procedure enerzijds heel strak, maar anderzijds kunnen we ons er ook zelf precies aan houden zodat we geen problemen krijgen met de beoordeling.
Overigens is men vanaf 2008 weer wat teruggezakt naar de totaalbeoordeling en beoordeelt men minder op incidenten.

Zoals gezegd bevat de rijprocedure het meest wenselijke rijgedrag.
Het is de bedoeling dat de examinator gaat bekijken waar jij als kandidaat afwijkt van die norm die in het boekje staat. Afwijken doe je namelijk altijd, want je rijdt nooit precies ‘by the book’ natuurlijk.
Hierbij zijn de volgende zaken van belang:

De Aard van de fout (concrete nalatigheid).
De Ernst van de fout (de mate waarin wordt afgeweken).
Het X-aantal malen (dat de fout voor komt).

Deze noemen we ook wel de AEX (Aard, Ernst en X-aantal malen).

Algemeen:

De rijprocedure is een boekje dat elke examinator moet gebruiken bij de beoordeling van jouw rijgedrag op het examen. In dat boekje staat het meest wenselijke rijgedrag. Natuurlijk voldoet niemand aan al die eisen en kan niemand geheel volgens dat boekje rijden. Iedereen maakt immers fouten. Toch moeten we proberen dit niveau wel te benaderen.
Tijdens het examen zal de examinator dus altijd afwijkend gedrag zien en zal dat afwegen tegen hetgeen in die procedure staat. Dan volgt zijn beslissing: gezakt of geslaagd.
Gelukkig ben je niet geheel overgeleverd aan de grieven van je examinator, want er staat veel informatie in dat boekje en de regels zijn vrij duidelijk. Zo staat er bijvoorbeeld precies in hoe er gekeken dient te worden bij het invoegen op de autosnelweg. Daarmee kan jij je voordeel doen. We zullen eens kijken hoe dit boekje in elkaar zit.
Tegenwoordig kijkt men niet meer naar incidentele fouten, maar beoordeeld met meer op het totaal. Het gaat er tenslotte om dat men te weten komt of het veilig genoeg is om jou met een auto alleen de weg op te sturen.

Bij de beoordeling van de examenkandidaat wordt uitgegaan van het zogenaamde itembeoordelingssysteem.
Dit betekent dat het examen een bepaald aantal onderdelen bevat met daarbij een aantal items van beoordeling.
Hieronder zetten we die voor je op een rijtje:

7 Examenonderdelen:

  • Wegrijden
  • Rechte en bochtige weggedeelten
  • Kruispunten/afslaan
  • Invoegen – Uitvoegen
  • Inhalen / Zijdelingse verplaatsingen
  • Gedrag nabij en op bijzondere weggedeelten
  • Bijzondere manoeuvres

Tijdens de les ben je altijd bezig met een van die examenonderdelen en die wisselen elkaar snel af. We nemen een voorbeeld. We rijden weg bij het examencentrum (onderdeel ‘wegrijden’). Dan komen we op de weg en gaan daar rijden (onderdeel ‘rechte en bochtige weggedeelten’). We komen op een kruising en steken die over (onderdeel ‘kruisingen’). Er staat een auto op de weg geparkeerd die wij voorbij rijden (onderdeel ‘inhalen – voorbijgaan’), etc… Je snapt het idee?

TIP: Probeer tijdens de les die onderdelen te herkennen!

Bij elk examenonderdeel hebben we de 13 zogenaamde items van beoordeling.

  • Rijklaar maken en bediening / beheersing
  • Milieubewust rijgedrag
  • Aangepast en besluitvaardig rijden
  • Belangen andere weggebruikers
  • Kijkgedrag
  • Voorrang verlenen / voor laten gaan
  • Plaats op de weg
  • Afstand houden
  • Snelheid
  • Reageren op verkeerslichten/aanwijzingen
  • Reageren op overige tekens
  • Geven van/ reageren op signalen
  • Vertragen / remmen / stoppen

Natuurlijk is het zo dat niet elk item bij de beoordeling even belangrijk is. Om die reden zal ik nu aangeven wat wel wat niet niet essentieel is bij de beoordeling van de examenonderdelen. Doe hier je voordeel mee!

Bij de bijzondere manoeuvres is voertuigbeheersing een essentieel item van beoordeling!
Je mag dus tijdens het parkeren niet opeens de stoep opschieten of de controle verliezen tijdens het keren.
Beheersing van het voertuig is aan de orde als de kandidaat over een totaal onvermogen beschikt om het voertuig te beheersen of onvoldoende stuurvast is. M.n. dat laatste kan je op de snelweg goed zien en dan m.n. bij het invoegen!

Bij alle examenonderdelen kan aangepast/besluitvaardig worden aangekruist. Van niet aangepast gedrag is sprake wanneer de kandidaat te traag door het verkeer rijdt. Van niet besluitvaardig is sprake als de kandidaat geen beslissing durft te nemen en dat wanneer hij dat wel doet, dit meestal op het verkeerde moment is.
Kortom: lekker doorrijden op je examen en overal de maximumsnelheid rijden waatrdat kan. Vlot met het verkeer mee.
Tevens durven besluiten en initiatieven te nemen. Als je voorrang hebt, zet je dus wat door met de auto. Als je voorrang moet verlenen, maak je dit kenbaar door je snelheid aan te passen.
Voor de duidelijkheid: vlot rijden is wat anders dan hard rijden. Besluitvaardigheid en voorzichtigheid gaan best samen!

Belangen andere weggebruikers, kijkgedrag en voorrang verlenen/ voor laten gaan zijn vrijwel altijd essentieel!

Kijk verder bij alle hoofdstukken die op deze site staan geschreven wat belangrijk wordt geacht bij het examen. Daar zal je veel van de informatie hier beschreven terug kunnen vinden.

Hoofdstuk 1: Bedrevenheid in rijklaar maken en bediening van het voertuig.

We zullen hier niet te diep op in gaan. Kern is dat bij de beoordeling alle aspecten van hoofdstuk 1 en 2 van de rijprocedure worden meegenomen en worden getoetst aan de bekende AEX. (zie inleiding). De Aard, de Ernst en het X-aantal malen van de voorgekomen fout.

Wat moet je kunnen en waar let de examinator op?

1.) Goede bediening van de koppeling en het schakelmechanisme.
2.) De juiste bediening van gas en rempedaal.
3.) De bediening van de hulpapparatuur zoals b.v. de ruitenwissers en de verlichting.
4.) De beheersing van het voertuig is bijzonder belangrijk. Bij twijfel zak je!
Het is onvoldoende als:

  • duidelijk blijkt dat je het voertuig totaal niet beheerst. Dit moet duidelijk te zien zijn in jouw rijden.
  • je niet stuurvast bent. Je wijkt van je koers af bij het kijken of het schakelen.

Let op het laatste vooral bij het rijden met hoge snelheden, het invoegen en de autosnelweg!

Dieper de materie in:

Mocht je inhoudelijk meer willen lezen over hoofdstuk 1 dan gaan we daar nu mee verder.
Scroll anders door naar hoofdstuk 2 op deze pagina.

Als een bocht wordt gereden waarvoor een andere versnelling wordt gekozen deze handelingen – inclusief het koppelen- voor het ingaan van de bocht afronden. Het tweede deel van de bocht vloeiend met een “licht trekkende motor” rijden. Remmen in de bocht zoveel mogelijk voorkomen.
Als er behoorlijk geaccelereerd moet worden (bijvoorbeeld bij het invoegen) meer gas geven en later doorschakelen naar een hogere versnelling.
Als de omstandigheden het toelaten kan bij het uitvoegen eventueel eerder gas teruggenomen worden in verband met energiezuinig rijden. Terugschakelen op de doorgaande rijbaan vermijden.
Milieu- en energiebewust rijgedrag

Mede met het oog op het leefmilieu wordt door veel instanties en organisaties geattendeerd op een spaarzaam gebruik van energie en het voorkomen van onnodige geluidsoverlast. Ook van bestuurders van motorvoertuigen mag milieu- en energiebewust rijgedrag worden verwacht.
Brandstofgebruik

De hoeveelheid brandstof die gebuikt wordt bij het auto rijden, kan in belangrijke mate worden beïnvloed door de conditie van de auto, een goede routeplanning en de wijze van rijden van de bestuurder (de beruchte rechter voet).

Let op:

Om het brandstof gebruik te beperken moet je:

  • voor een goede bandenspanning zorgen
  • voor een goede afstelling van de motor zorgen
  • niet te ver doortrekken in de versnellingen
  • fel accelereren zoveel mogelijk voorkomen
  • zo veel mogelijk met een gelijkmatige snelheid proberen te blijven rijden
  • bij een constante snelheid in een zo hoog mogelijke versnelling rijden
  • de snelheid zoveel mogelijk proberen te regelen met de gastoevoer in plaats van met de rem
  • het terugschakelen via alle versnellingen vermijden (versnelling overslaan)
  • niet onnodig rijden met lastdrager en/of open ramen (hiermee rijden verhoogt het brandstofgebruik aanzienlijk)
  • onnodige stroomverbruikers uitschakelen zoals airco en achterruitverwarming
  • gebruikmaken van Cruise-control (levert een lager brandstofgebruik en rustiger rijgedrag op)
  • het rijden met hogere snelheid leidt tot meer brandstofverbruik en daarmee tot een grotere uitstoot van schadelijke stoffen

De bediening van de verlichting en apparatuur

Wanneer van de verlichting en/of elektrische apparatuur gebruik moet worden gemaakt, geldt dat:

  • dit (op eigen initiatief) gebeurt op de juiste wijze (jij beslist wanneer dit wenselijk is)
  • de bediening ervan mag niet ten koste gaat van de aandacht voor het verkeer en de beheersing van het voertuig
  • dit niet langer gebeurt dan noodzakelijk of wenselijk is

Het  (op eigen initiatief) voeren van de juiste verlichting op het juiste moment, geldt ook voor het gebruik van de in de auto aanwezige (hulp)apparatuur zoals:

  • voor- en zijruit ontwaseming
  • de claxon
  • ruitenwissers (voor en achter)
  • achterruitverwarming
  • interieurverwarming of airco

Bekendheid met het interieur, indeling van het dashboard en de functies van de diverse bedieningsorganen is noodzakelijk.

Rijden bij nacht en bij omstandigheden die het zicht ernstig belemmeren

Gedurende de wettelijk aangegeven periode en tijdens andere daarvoor in aanmerking komende omstandigheden, moet de juiste verlichting worden gevoerd.
In beginsel wordt dimlicht gevoerd. Groot licht mag slechts gevoerd worden gedurende de nacht (dus nooit overdag!) en kan bijvoorbeeld gewenst zijn wanneer het zicht in relatie tot de gereden snelheid beperkt is. Bij het voeren van groot licht mag geen hinder ontstaan voor andere weggebruikers.
Omstandigheden die het zicht ernstig belemmeren kunnen zijn:

  • mist
  • sneeuwval
  • regen
  • verblindend zonlicht
  • de rijbaan in tunnels waar het daglicht onvoldoende is
  • een weg waar het daglicht door de aanwezigheid van bomen niet voldoende tot de rijbaan doordringt
  • bij schemering

Wanneer de meeste bestuurders verlichting voeren, mag je er vanuit gaan dat dit noodzakelijk is. Ook hier geldt dat verlichting niet alleen gevoerd wordt om beter te zien, maar vooral ook om zelf beter gezien te worden. In tunnels voer je altijd dimlicht.

Let op:

  • extra aandacht op de weg is nodig voor stilstaande en langzaam rijdende voertuigen
  • bij tegemoetkomen van voertuigen die verlichting voeren, is het beter langs dan in die lichten te kijken om verblinding te voorkomen
  • bermpaaltjes en kantlijnen kunnen een goed oriëntatiemiddel zijn om je plaats op de weg te bepalen

Beheersing van het voertuig

Het gaat hierbij om de totale voertuigbeheersing. Daar is sprake van als jij als de bestuurder bij de uitvoering van de diverse handelingen het voertuig volledig en zelfstandig onder controle houdt.
Deze handelingen betreffen de technische bediening in combinatie met het uit te voeren kijkgedrag en de vereiste stuurvastheid. Het tijdig onderkennen van een verkeer-/wegsituatie en het juist reageren hierop in combinatie met een juiste voertuigbediening komt de beheersing van het voertuig ten goede (je geeft jezelf hiermee meer tijd te reageren en te handelen).

Karakter en toestand van het voertuig

Voor een goede voertuigbeheersing is het noodzakelijk bekend te zijn met het karakter / de mogelijkheden van de (les) auto.
Door de ligging van het zwaartepunt van de auto wordt in belangrijke mate de koersstabiliteit, het stuurkarakter en het gedrag in bochten bepaald. Nuttig is om te weten welke wielen van de auto aangedreven worden. De toestand van het voertuig kan mede bepalend zijn voor het weggedrag. Aanwezige passagiers, lading en de wijze van belading en dergelijke kunnen mede van invloed zijn op het weggedrag. Ook is het van belang goed bekend te zijn met de afmetingen van de auto waar je in rijdt.

Slipgevaar

Bij een situatie met verhoogd slipgevaar zal je de bediening van de auto hierop af moeten stemmen. Voorkomen moet worden dat de auto in een slip raakt. Slippen ontstaat wanneer de wrijvingsweerstand tussen band en wegdek wordt overschreden, zodat de auto grip verliest. Dit kan worden veroorzaakt door:

  • te hard/abrupt remmen
  • wegverkanting, hellingen, zijwind
  • te snel loslaten van de koppeling
  • te snel accelereren
  • te abrupt sturen
  • te snel een bocht rijden
  • soort en toestand van de banden

Ook soort en toestand van het wegdek of een (plotselinge) verandering daarin kunnen van invloed zijn op het ontstaan van een slip.

Stuurvastheid

Een permanente stuurvastheid is vereist. Bij de technische bediening en bij de bediening van de hulpapparatuur moet je het voertuig steeds op de juiste koers kunnen houden.
Met inachtneming van het wettelijke bepaalde omtrent de te volgen weggedeelten, moet je met zo min mogelijk stuurcorrecties “de meeste ideale lijn” volgen /  rijden. Onnodige en abrupte stuurbewegingen dienen te worden vermeden. Het kijkgedrag, andere gedragingen en / of het uitvoeren van de diverse handelingen mogen de besturing van het voertuig niet nadelig beïnvloeden.


Hoofdstuk 2:

Je zult hier vooral je verkeersinzicht moeten laten zien.
Bij alle handelingen moet je zo reageren dat niet overdreven gestuurd of geremd hoeft te worden. Tijdig reageren op de signalen uit het verkeer is hierbij van belang. Je moet een inschatting kunnen maken van het gedrag van een ander op basis van de informatie die je hebt verkregen door de juiste toepassing van de kijktechniek.

Aangepast en besluitvaardig rijden!

Aangepast is aangepast aan de omstandigheden. Als je niet aangepast rijd tijdens je examen (te langzaam), word je gewezen op dit rijgedrag zodat je dit kunt verbeteren. De examinator geeft dit 2 keer aan tijdens de rit als dit noodzakelijk is. Je kunt dan je rijgedrag nog aanpassen. Let dus goed op zijn of haar woorden tijdens die examenrit!

Besluitvaardigheid is aan de orde als kandidaten bijvoorbeeld een kruising niet over durven te steken. Ze staan dan te lang te wachten en als ze uiteindelijk gaan, nemen ze vaak toch een verkeerd moment.

Belangen andere weggebruikers!

Let erop dat je sociaal weggedrag vertoont.

Wil je meer lezen? Lees dan verder. Scroll anders door naar hoofdstuk 3 op deze pagina.

Verkeersinzicht

Om op een juiste en veilige wijze aan het verkeer deel te kunnen nemen, is onder andere “verkeersinzicht” noodzakelijk. Dit betekent het tijdig onderkennen van en inspelen op:

  • Concrete verkeerssituatie.
  • Situaties die zich gaan ontwikkelen.
  • Situaties die zich op een bepaalde manier kunnen gaan ontwikkelen (voorspellen)

Daarbij spelen de volgende factoren een rol:

  • De mens.
  • De weg en omgeving.
  • Het voertuig.
  • De weersomstandigheden.

Je moet rekening houden met omstandigheden die bij het naderen en/of voorbijgaan bijzondere oplettendheid vragen, zoals:

  • Slechte brokkelige rijbaankanten, met name die welke gelegen zijn tegen lagere weggedeelten.
  • Op de rijbaan liggende voorwerpen die gevaar voor het verkeer kunnen opleveren (zorgen voor verwijdering)
  • Voorwerpen die te dicht bij de rijbaan staan.
  • Over de rijbaan uitstekende takken, uithangborden, luifels enz.
  • Smalle doorgangen bij wegwerkzaamheden, bruggen, in- en uitritten, op- en afritten, enz.
  • Weggedeelten met tijdelijke geplaatste verkeersborden en/of op het wegdek aangebrachte verkeerstekens.
  • Het afgeremd worden (scheeftrekken), indien met het voertuig door een diepe plas wordt gereden.
  • Zijwinden en rukwinden.
  • Spoorvorming en andere oneffenheden in de lengterichting van de weg.
  • Op de rijbaan liggende stoffen, zoals zand, grind, split, bladeren en olie.
  • Gefreesde weggedeelten.
  • Wildroosters.
  • Losliggende en/of uitstekende lading op andere voertuigen.
  • Hobbelige en slechte weggedeelten met scheuren en/of gaten.
  • Door zeer warm weer smeltend asfalt.

De snelheid moet zodanig worden geregeld dat zo min mogelijk wordt gestopt

Situaties waarbij goed anticiperen voorkomt dat er gestopt moet worden, zijn bijvoorbeeld:

  • Links- en rechtsaf slaan bij aanwezigheid van een enkele verkeersdeelnemer op een naast gelegen fietspad, fiets/bromfietspad of voetpad (schuin achter een (brom)fietser met dezelfde snelheid meerijden is beter dan eerste inhalen en er dan voor stoppen)
  • Voorbij rijden van een rechts stilstaand voertuig of ander obstakel op een rijbaan met twee rijstroken, bij nadering van een enkele tegenligger.
  • Naderen van een stilstaande file (achterop rijden), die nagenoeg weer in beweging is gekomen.
  • Een kruispunt waar slechts een enkel ander voertuig gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig kan zijn.

Opmerkingen

  • Probeer als bestuurder van het voorste voertuig van een aantal achter elkaar rijdende voertuigen, zoveel mogelijk rijdend te blijven. Dit is veiliger en bovendien wordt daardoor een betere verkeersdoorstroming bereikt. Tevens bespaart dit brandstof en is dit beter voor het milieu.
  • Als  stoppen onvermijdelijk is,  dan -indien dit de veiligheid bevordert- het achteropkomend verkeer waarschuwen door middel van het laten knipperen van het remlicht of de waarschuwingslichten.
  • Is stoppen niet te vermijden, dan moet het blokkeren van het tegemoetkomend en dwarsverkeer in ieder geval worden voorkomen in situaties als:
  1. Op de linker rijbaanhelft, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer.
  2. Op een spoor of overweg.
  3. Op een voetgangersoversteekplaats of een oversteekplaats voor (brom)fietser.
  4. Op een kruispunt.
  5. Op een gemarkeerd weggedeelte voor een in- en uitrit.

Je moet zo oplettend zijn, dat de in het verkeersbeeld te verwachten veranderingen, niet dusdanig verrassend zijn dat abnormaal moet worden geremd en/of gestuurd.

Veranderingen die in beginsel geen verrassing mogen inhouden, zijn bijvoorbeeld:

  • Een bij een halte stoppende autobus of tram.
  • Een bij een stilstaande autobus of tram overstekende passagier
  • Het openslaande portier van een voertuig dat juist ( aan de kant) is gestopt.
  • Een wegrijdende auto die even tevoren door de bestuurder is bemand (let op uitlaatgassen, brandend achteruitrijlicht e.d.)
  • Een wegrijdende auto, nadat een passagier in de auto heeft plaatsgenomen.
  • Een bestuurder die uitwijkt voor een voorwerp op de rijbaan (of plassen/kuilen)
  • Een “voorligger” die gaat remmen bij een aandachttrekkende gebeurtenis (zwaai- knipperlichten op bijzondere voertuigen, overkomende vliegtuigen, ongeval en dergelijke)

Je moet voortdurend bedacht zijn op fouten die medeweggebruikers kunnen maken en die veelvuldig leiden tot ongevallen, zoals:

  • Het afsnijden van bochten.
  • Te weinig afstand bewaren ten opzichte van een “voorligger”.
  • Kruispunten met te grote snelheid naderen en oversteken.
  • Te hard en/of te laat remmen.
  • Met onaangepaste snelheid rijden.
  • Het inhalen op plaatsen en op momenten waar dit niet verantwoord is.
  • Het abrupt van rijstrook veranderen.

Je moet zoveel mogelijk voorkomen dat jij jezelf of dat een ander zich ”vast rijdt”. Bijvoorbeeld:

  • Het moeten stoppen achter een dubbel “geparkeerd” voertuig, doordat de situatie niet tijdig is onderkend en inhalende bestuurders het voorbijrijden beletten
  • Het niet meer naar links in voorgesorteerde positie kunnen komen, door het te laat reageren op een “stroom” inhalende voertuigen.

Opmerkingen

  • Begin uitgerust en niet vermoeid of geïrriteerd aan een autorit.
  • Houdt rekening met het te verwachten weer.
  • Voorkom haast en trek voldoende tijd uit voorbereiding op een langere autorit.
  • Gebruik een navigatiesysteem of raadpleeg vooraf een wegenkaart bij het rijden in of naar een onbekend gebied.
  • Houd rekening met vallende stukken hout en dergelijke, tijdens een storm.
  • Raak tijdens het rijden niet afgeleid door passagiers, autoradio en/of het gebruik van de mobiele telefoon.
  • Maak gebruik van spiegelruiten /etalages om verder een straat in te kunnen kijken.
  • Kruis, zo mogelijk met “dekking” van een zwaar voertuig, een verkeersstroom.
  • Tracht benarde situaties in het verkeer zoveel mogelijk te vermijden (b.v. niet naast een lange voertuig combinatie een “trechter” ingaan)
  • Probeer zoveel mogelijk de totale weg- en verkeerssituatie te beoordelen.
  • Verdeel de aandacht.
  • Kijk om waar te nemen en te kunnen reageren op datgene wat gezien wordt.
  • Zorg  -indien mogelijk- voor een “vluchtweg”.
  • Reageer op de “taal van de weg”.
  • Werk mee aan een zo goed mogelijk samenspel in het verkeer.

Naast verkeersinzicht zijn de onderwerpen uit dit hoofdstuk wezenlijk voor een goede en veilige verkeersdeelneming. Deze onderwerpen hebben een algemene strekking en betreffen de totale verkeersdeelneming. Het gaat hierbij om rijvaardigheidsaspecten die als “basisgedrag” worden aangemerkt. Elke bestuurder behoort dit gedrag in voldoende mate te beheersen, ongeacht welke manoeuvre wordt uitgevoerd of in welke situatie men zich bevindt.

Aangepast en besluitvaardig gedrag

Dit onderwerp heeft betrekking op de snelheid waarmee gereden wordt en de vlotheid waarmee verkeersgedragingen worden uitgevoerd in relatie tot het overige verkeer en/of de betreffende wegsituatie. Tevens gaat dit onderwerp over de in het verkeer noodzakelijke besluitvaardigheid waarmee handelingen moeten worden uitgevoerd en gereageerd moeten worden in/op verkeerssituaties.

Aangepast gedrag

Met inachtneming van de geldende voorschriften moet steeds met een zodanige snelheid worden gereden dat deze is aangepast aan het overige verkeer en de totale verkeer en wegsituaties.
Zo wordt er niet zonder noodzaak zó langzaam gereden dat daardoor andere weggebruikers opgehouden kunnen worden.
Onverminderd het rekening houden met de maximumsnelheid en het tijdig tot stilstand kunnen brengen van het motorvoertuig, wordt steeds met een zodanige snelheid gereden dat daardoor geen gevaar of onnodige hinder voor andere weggebruikers ontstaat of kan ontstaan (artikel 5 van Wegenverkeerswet; het “kapstokartikel”).
Als  de situatie dit eist, dient tijdig te worden vertraagd of gestopt. Dit vertragen of stoppen gebeurt op een -aan die situatie aangepaste-  manier.
Bij een aangepaste rijwijze kunnen alle noodzakelijke handelingen beheerst worden uitgevoerd. Ook wordt daardoor het algehele verkeersbeeld gunstig beïnvloed en zal een rustige, veilige verkeersafwikkeling daarvan het gevolg zijn. Voor een aangepast gedrag is het noodzakelijk dat de bestuurder:

  • Zich tijd en ruimte gunt om zijn gedrag af te stemmen op de situatie.
  • Er niet op vertrouwt dat andere weggebruikers altijd correct handelen.
  • Zich steeds afvraagt: kunnen andere weggebruikers mij zien? Hebben die mij gezien? Als ze mij niet gezien hebben wat is dan mijn vluchtweg?

Besluitvaardig gedrag

Uit het gedrag moet een zekere mate van besluitvaardigheid blijken.
Met uitzondering van zaken die als “ongewoon” of “onverwacht” kunnen worden aangemerkt, moet een weifelend verkeersgedrag worden vermeden.
Afwijkend en onzeker gedrag zal bij de andere weggebruikers leiden tot twijfel over een zich ontwikkelende verkeerssituatie. Een voorgenomen en reeds aangevangen manoeuvre wordt dan ook, nadat de voorbereidende handelingen op juiste wijze zijn verricht, in principe uitgevoerd. Onder normale omstandigheden onnodig voorrang verlenen, onnodig voor laten gaan of langer wachten dan gezien de situatie noodzakelijk is, wordt vermeden. Dat neemt niet weg dat voor een betere verkeersdoorstroming of het bevorderen van een veiliger wegsituatie het soms wenselijk is om anders dan voorgeschreven te handelen. Daarbij door onderling oogcontact tussen de betrokkenen de communicatie bevorderen en eventuele bedoelingen verduidelijken.
Belangen andere weggebruikers

Dit onderwerp gaat in op defensief en sociaal gedag in combinatie met verkeersinzicht.
Defensief gedrag houdt in dat ongevallen zoveel mogelijk worden voorkomen, niet alleen door zelf zo min mogelijk fouten te maken, maar ook door rekening te houden met mogelijke fouten van anderen en door je rijwijze tijdig aan te passen aan afwijkende weg- en/of verkeersomstandigheden.
Defensief gedrag is met name gebaseerd op:

  • Inzicht.
  • Waakzaamheid.
  • Goed anticiperen(vooruitlopen op mogelijke ontwikkelingen)
  • Defensief kijken (kijken om echt waar te nemen)
  • Goed regeren.

Sociaal gedrag houdt in, dat je bereid bent om andere weggebruikers te helpen in situaties waar dit nodig of wenselijk is, ook als door die weggebruikers -bewust of onbewust- een fout is gemaakt.
Sociaal bedrag kenmerkt zich door:

  • Het respecteren van het belang van anderen weggebruikers.
  • Het bewust zijn van de eigen, individuele verantwoordelijkheid voor een veilig wegverkeer.

Voorbeelden van sociaal gedrag zijn:

  • Het in geval van een rijbaanversmalling ruimte laten voor inhalende bestuurders (ritsen)
  • Het vóór laten gaan van, en een zoveel mogelijk onbelemmerde doorgang verlenen aan, volgwagens die kennelijk behoren tot een uitvaartstoet.
  • Het vermijden van het rijden door plassen indien daarvan anderen last ondervinden.
  • Het bij druk verkeer gelegenheid geven om in te voegen aan de bestuurder die vanuit een uitrit komt.

Het bevorderen van een zo veilig en gunstig mogelijke verkeerssituatie moet steeds centraal staan.

Je moet je zó gedragen dat andere weggebruikers niet worden verrast.

  • Niet scherp achter een geparkeerd voertuig naar links sturen in de richting van een tegemoet komende bestuurder.
  • Slechts indien nodig de claxon gebruiken of een lichtsignaal geven.
  • Niet onnodig en abrupt afremmen of stoppen.

Het oproepen van irritaties bij andere weggebruikers moet vermeden worden.

  • Niet nog vlug even inhalen voor een rood verkeerslicht, een gesloten spoorwegovergang of brug, een stilstaande file enz.
  • Bij een filevorming of andere verkeersopstopping niet nadrukkelijk snelheid opvoeren en een ruimte afsluiten, die een andere bestuurder had willen benutten.

Steeds wordt getracht dreigend gevaar op te heffen door:

  • Tijdig af te remmen.
  • Uit te wijken.
  • Te stoppen.
  • Snelheid te verhogen of anders aan te passen.

Is te verwachten dat het op één van deze manieren niet zal lukken het gevaar op te heffen, al naar gelang de situatie, een geluid- of lichtsignaal geven.
Ten behoeve van andere (achteropkomende) bestuurders worden de knipperende waarschuwingslichten gevoerd indien door bepaalde verkeer- en/of weersomstandigheden plotseling snelheid moet worden verminderd of gestopt.
Dit geldt met name:

  • Bij filevorming.
  • Indien wordt stil gestaan op minder overzichtelijke plaatsen.
  • Wanneer wordt gestopt en het zicht als gevolg van duisternis of weersomstandigheden onvoldoende is om het voertuig tijdig op te merken.

Het gebruik van knipperende waarschuwingslichten legaliseert een verkeersovertreding niet.

In het bijzonder moet rekening worden gehouden met de belangen van meer kwetsbare weggebruikers.

Vooral kinderen, bejaarden en gehandicapten zijn kwetsbaarder in het verkeer:

  • Het gedrag van kinderen in het verkeer is over het algemeen onberekenbaar.
  • Het reactievermogen van bejaarden en gehandicapten en hun vermogen snel te handelen is vaak minder.
  • Mensen die gehoorgestoord zijn kunnen moeilijk als zodanig herkend worden.
  • Blinden kunnen alleen af gaan/vertrouwen op hun gehoor.
  • Rekening wordt gehouden met het speelse karakter waarmee jeugdige (brom)fietsers e.d. aan het verkeer kunnen deelnemen. Door hun aanwezigheid en eventueel afwijkend rijgedrag tijdig te onderkennen, kan op gepaste wijze worden gereageerd.
  • Voetgangers lopen meer risico als zij zich op de rijbaan bevinden. Zij moeten tijdig worden opgemerkt, zodat op juiste wijze worden gereageerd.
  • Goed moet worden geanticipeerd op grotere groepen voetgangers zoals bijvoorbeeld: optochten en colonnes. De totale verkeerssituatie moet bij het naderen van deze groepen op een juiste wijze worden beoordeeld.

Verder wordt extra rekening gehouden met bijvoorbeeld geleiders van rij,- trekdieren en vee, die eveneens kwetsbaar zijn. Dat geldt ook ten aanzien van fietsers die kleine kinderen op de fiets begeleiden of werktuigen e.d. vervoeren.

Opmerkingen

Aan gevaarlijke situaties in het werkverkeer liggen vaak menselijke fouten ten grondslag. Straf fouten van de ander niet af, maar help elkaar!
Als  een andere weggebruiker niet aan de voorrangsverplichting voldoet, rem dan af of stop. Raak niet opgewonden en toon geen agressie. Een goede bestuurder heeft geduld met andere weggebruikers en draagt zo bij aan een veilig verkeer. Bij nadering van een voetgangersoversteekplaats wordt, ondanks het voor voetgangers in werking zijnde gele knipperlicht, rekening gehouden met overstekende voetgangers.
Tot slot:

De wettelijke bepalingen worden nageleefd. Kan door het niet nakomen van een wettelijk voorschrift een ongeval worden voorkomen, dan wordt aldus gehandeld.
Zijn verkeerstekens of verkeersregels in strijd met elkaar, dan wordt dat teken of die regel in acht genomen, waarmee de verkeersveiligheid het meest is gediend.


Hoofdstuk 3:

Er zijn een aantal examenonderdelen. Deze moeten allemaal voldoende zijn, dus mag geen enkel onderdeel onvoldoende zijn. Dat betekent dus niet dat er geen fouten gemaakt mogen worden, maar als een onderdeel zoveel fouten bevat dat het onderdeel onvoldoende is, is het examen onvoldoende en dat betekent gezakt voor het examen.

Per examenonderdeel zal worden aangegeven wat de kritieke beoordelingspunten zijn en waar je dus precies op kunt zakken. Op alle examenonderdelen zijn de items van beoordeling van toepassing. We zullen dit nader uitleggen.
Stel dat je bijvoorbeeld bij het afslaan een fietser over het hoofd ziet die je voor had moeten laten gaan.
Dan komt dat op het formulier als volgt te staan:
Examenonderdeel: KRUISPUNTEN.
Item van beoordeling: VOORRANG, VOOR LATEN GAAN.

Alle items van beoordeling staan in de lijst vermeld.

Let op: sommige examenonderdelen komen vaker voor dan anderen. Zo steek je bijvoorbeeld heel vaak een kruispunt over, maar voeg je doorgaans maar 1 keer in op je examen. Dat laatste moet dan wel in 1 keer goed gaan, anders is het mis.

Zo en dan nu snel door naar alle examenonderdelen te beginnen met het onderdeel ´wegrijden´.
Per examenonderdeel zullen de essentiële items van beoordeling ook worden aangegeven. Let met name goed op die items. Zo kan je zelf ook beter beoordelen of je aan deze procedure kunt voldoen.